Skip to main content

Author: admin

Jaimie Pattipeilohy

Speeddaten tijdens cursus Digitaal dekoloniseren

Speeddaten tijdens cursus Digitaal dekoloniseren

GESCHREVEN DOOR Jaimie Pattipeilohy OP . GEPOST IN NIEUWS

Blog Digitaal dekoloniseren, Jaimie Pattipelohy, Museum Maluku

In de laatste week van februari 2023 werd collega Jaimie Pattipeilohy uitgenodigd als spreker voor de cursus ‘Digitaal Dekoloniseren’ van het Heritage Lab. Deze cursus was bedoeld voor mensen die zich praktisch willen oriënteren rondom dekoloniseren en meer willen leren over wat ze zelf kunnen doen. Met de kennis en ervaring als projectmanager digitalisering bij Museum Maluku ging Jaimie met verschillende cursisten op speeddate en bespraken thema’s als dekolonisatie, diversiteit en inclusie. Twee uur lang voerde zij interessante gesprekken; ze neemt je mee. 

Online cursus digitaal dekoloniseren

Als projectmanager digitalisering bij Museum Maluku houd ik me sinds 2021 onder andere bezig met de coördinatie en uitvoering van verschillende digitaliseringsprojecten. Mijn werk vindt vooral achter de schermen plaats. Kleine veranderingen die je wellicht hebt opgemerkt zijn bijvoorbeeld de digitale vriendenpas waarmee je toegang krijgt tot Museum Sophiahof en het online donatieformulier. Een donatie doen, doe je nu gemakkelijk via iDeal.

Het afgelopen jaar ben ik vooral druk geweest met de voorbereidingen voor het digitaliseren van de collectie,  het bemiddelen van de 2 nieuwe locaties waar de collectie naartoe verhuist en alle organisatorische zaken om de collectie op die locaties te krijgen.

Vorige week werd ik uitgenodigd als spreker voor de cursus ‘Digitaal Dekoloniseren’ van het Heritage Lab. Het Heritage Lab organiseert in samenwerking met NDE (Netwerk Digitaal Erfgoed) bij- en nascholing voor erfgoed professionals. Cursisten konden als onderdeel van de cursus op ‘speeddate’ met genodigde sprekers. De cursisten konden zelf kiezen met wie zij 20 minuten in gesprek wilden gaan en gaven vooraf een vraag of onderwerp door. Ik was niet eerder voor zoiets gevraagd en vroeg me bescheiden af wat ik daaraan kon bijdragen. Ik heb niet gestudeerd voor archivaris of conservator, ik ben een project manager. Wat zou ik deze erfgoed-professionals bij kunnen brengen? Toen bedacht ik me dat het thema Digitaal Dekoloniseren perfect aansluit op mijn werkzaamheden bij het museum. Daar kan ik uren over praten. Dat komt wel goed. 

Passend bij het thema werd het evenement digitaal via Zoom gehouden. Iedere spreker kreeg zijn eigen breakout-room. Tussen de speeddates in de breakout-rooms door, was er ook een algemene ruimte waar iedereen kon aansluiten. Het evenement werd geopend in de algemene ruimte. Ik vond het leuk om Molukse namen tussen de aanwezigen te zien. Jeftha Pattikawa (Nationaal Archief) was als spreker aanwezig en Asmara Pelupessy(Heritage Lab) deed de organisatie. Het gaf me een gevoel van vertegenwoordiging. En omdat dit specifieke evenement Digitaal Dekoloniseren als thema had, gaf dat het gevoel van vertegenwoordiging extra gewicht.

Speeddaten met cursisten

Gedurende 2 uur voerde ik interessante gesprekken met mensen uit allerlei verschillende hoeken uit het culturele veld. Ik sprak onder andere met een conservator van Museon-Omniversum over het wel of niet aanpassen van objectomschrijvingen die geschreven zijn vanuit een koloniale lens en een medewerker van het Katholiek Documentatie Centrum – onderdeel van Radboud Universiteit Nijmegen – over een digitaliseringsproject om uitwisseling van archiefstukken uit het koloniale tijdperk met Indonesië te stimuleren. 
Een andere bijzondere speeddate was met een onderzoeker bij een project over missie en zendingscollecties bij niet-musea. Tijdens haar onderzoek kwam zij archieven tegen die dateren uit het koloniale tijdperk van voormalig Nederlands-Indië. In de collecties waar ze onderzoek naar doet, zijn naast archieven ook beeldmateriaal van hun zendelingenwerk in o.a. de Molukken opgenomen. Deze stukken zijn in beheer van privécollecties of stichtingen. “De mensen die zo’n collectie beheren zijn vaak al op leeftijd”, vertelt ze. “Zij weten soms niet goed wat er met de collectie gebeurt in het geval zij komen te overlijden, omdat er geen opvolgers zijn of er geen geld is om de collectie te behouden.” Ze vroeg of Museum Maluku interesse zou hebben in dergelijke collecties. “Absoluut”, zei ik. Alhoewel ze nog geen concrete aanbieding had, zou ze ons in gedachten houden in het vervolg van haar onderzoek. Ze greep uit beeld iets van haar bureau en liet het boek Molukse Kerk in de Polder zien van Stichting Zendingserfgoed. Ik herkende het boek niet direct, maar na een snelle search op onze website zie ik dat de publicatie is opgenomen in onze bibliotheek. We bladerden samen door het boek spraken kort over hoe de kerk destijds een grote rol speelde binnen de Molukse gemeenschap.

Reflecteren & herinneringen 

Na afloop van het evenement, zette ik een kop thee en plofte ik op de bank. Ik reflecteerde nog even na over de gesprekken die ik heb gehad en hoe de Moluks-Nederlandse geschiedenis toch vaak onbekend is, zelfs voor professionals die in het erfgoed veld werken. Ik had van tevoren geen verwachting van de dag, maar ik ben blij dat ik heb meegedaan. Niet alleen kon ik mijn professionele ervaringen delen, maar tegelijkertijd ook mijn persoonlijke erfgoed.

Tijdens het schrijven van dit stuk denk ik terug aan het laatste gesprek over de Molukse kerk. Mijn gedachten gaan naar mijn voorouders die op de Molukken door zendelingen werden bekeerd naar het christelijke geloof. Ik denk aan opa en de zondagen waar we met de hele familie bij hem thuis kwamen. Ik krijg er een warm gevoel van in m’n buik. Of is dat toch de thee? Ik ben blij dat ik door mijn werk mijn Molukse erfgoed mag delen met anderen, maar word misschien nog wel blijer van die warme herinneringen aan mijn opa.

Tentoonstelling Afgestoft, Yara Jimmink

‘Afgestoft’ met Yara Jimmink

Lees meer


Maju Mundur, Duo Interviews, serie 2, Museum Maluku, James & Gloria

Maju Mundur

Bekijk hier

Continue reading

Een vergeten geschiedenis van 70 jaar op weg naar huis? Coen Verbraak over ‘De Molukkers’

Eén maand voorafgaand aan de 44ste herdenking van ‘De Punt’ op 11 juni jongstleden (toeval?) werd de vierdelige documentaireserie van Coen Verbraak, getiteld: Molukkers in Nederland – zeventig jaar op weg naar huis op de nationale televisie gelanceerd. Vrijwel gelijktijdig kwam zijn bij de serie horende boek uit, met als titel: De Molukkers. Een vergeten geschiedenis; dit boek bevat een reeks portretten van de veertien Molukkers die Verbraak voor de documentaire heeft geïnterviewd. 

Op verzoek van Marinjo reflecteerde Fridus Steijlen, senior-onderzoeker bij het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV) en hoogleraar Molukse Migratie en Cultuur in Comparatief Perspectief aan de Vrije Universiteit te Amsterdam, op de documentaireserie en het boek van Coen Verbraak. 

De documentaireserie en het boek 

De documentaireserie was wekelijks op vier achtereenvolgende woensdagen (19 en 26 mei, en 2 en 9 juni) te zien. Aflevering 1 vertelt over de overkomst, het KNIL, het ontslag en het leven in de woonoorden. Aflevering 2 zoomt vooral in op de tijdelijkheid en de veranderingen door de invoering van de zelfzorg en de overgang naar de woonwijken. Aflevering 3 staat volledig in het teken van de acties uit de jaren zeventig. En het vierde en laatste deel gaat met rasse schreden door een stukje geschiedenis, zoals het massale drugsgebruik en de Gezamenlijke Verklaring van 1986. Maar het gaat in het bijzonder in op de vraag, of de geïnterviewden zich in Nederland thuis voelen, op welke Molukkers zij trots zijn, hoe het met de RMS staat en of ze op de Molukken zouden willen wonen. De slotaflevering eindigt met de vraag, wat een sleutelwoord voor de geschiedenis van Molukkers in Nederland zou zijn. Een gedeelte van de antwoorden maakt de serie rond, omdat de sleutelwoorden refereren aan de gevoelens uit de eerste aflevering: erkenning, frustratie, niet gehoord zijn, en pijn. 

In het boek zijn de portretten van de veertien geïnterviewden op leeftijd van oud naar jong gerangschikt. Daar is – op acht pagina’s ‘historische achtergrond’ na – geen sprake van een structuur op basis van een historische verhandeling. 

Reacties op social media 

Op social media waren de recensies over het algemeen lovend en bleken de persoonlijke verhalen van de geïnterviewden veel indruk te hebben gemaakt. Dat de verhalen een grote impact hadden, was te danken aan de directheid waarmee de verhalen werden verteld, en de gevoelens die door de geïnterviewden niet onder stoelen of banken werden gestoken. Goed uit de verf kwamen de boosheid, de pijn en frustratie richting de Nederlandse overheid en samenleving. Zo werd er openhartig gesproken over de bootreis, het ontslag, de opvang in de woonoorden en het voortduren van de tijdelijkheid. Het gaf een gevoel van urgentie: eindelijk kon de Nederlandse samenleving met deze gang van zaken worden geconfronteerd. De veertien geïnterviewden deden dat overtuigend en dat is zeer te waarderen, omdat zij immers bereid waren zichzelf bloot te geven.  

Uiteraard is het onmogelijk om de gehele geschiedenis van de Molukkers in Nederland in een televisieserie van vier delen te vangen. Dit betekent dat er keuzes moeten worden gemaakt uit een scala aan onderwerpen en gebeurtenissen: welke wel en welke niet, en waarom wel en waarom niet? Dat zijn geen keuzes die door de veertien geïnterviewden zijn gemaakt. Dat doet de maker: Coen Verbraak. In zijn boek wekt hij de suggestie vooral te willen horen, wat de beleving van Molukkers was; hij wilde zich niet laten leiden door archiefstukken. Die invalshoek is te gemakkelijk, want ook Verbraak laat zich leiden door wat hij heeft gelezen en door zaken die bij hem vragen oproepen. Want de verhalen die de geïnterviewden vertellen, komen niet in het luchtledige tot stand. Immers: die worden mede gestuurd en ingekleurd door de vragen die Verbraak stelt. Zoals bijvoorbeeld over Schattenberg, als hij opmerkt dat dat wel ‘een hoogst banale plek’ is. Of als hij vraagt, hoe men denkt over de burgerslachtoffers tijdens de gijzelingen. In de serie hoor je hem die vraag expliciet stellen, in het boek lees je die tussen de regels door. 

Wat missen we? 

Er moeten, zoals al eerder gezegd, keuzes worden gemaakt. Maar wat missen we daardoor in de documentaireserie en het boek, en is dat erg? Een terugkerende vraag op social media ging over de afwezigheid van het Zuidoost-Molukse verhaal en dat van de moslims. Dat is best wel een dingetje. Verder werd de diversiteit binnen de Molukse gemeenschap nauwelijks over het voetlicht gebracht. Tegenstellingen binnen de gemeenschap stonden al direct na aankomst in Nederland aan de basis van conflicten. Zo leidde de confrontatie tussen ‘Ambonezen’ en ‘Keiezen’ op 19 augustus 1951 in kamp Vught tot het ontstaan van Zuidoost-Molukse organisaties die niets meer van de RMS wilden weten. Dit zijn geen onbelangrijke details, want deze versplintering heeft haar sporen in de geschiedenis en de gemeenschap nagelaten. Als je met oral history de geschiedenis van een gemeenschap wil vertellen, luistert het zeer nauw, wie je daarvoor benadert. Een onderzoeker die dit aan de hand van veertien personen doet, zal daarom worden gevraagd waarom hij denkt op basis van die veertien het verhaal te kunnen vertellen. Eigenlijk zou Verbraak dat ook moeten verantwoorden. Waarom vertellen deze mensen het verhaal van DE Molukkers, zoals hij in zijn titel claimt?  

En los van de vertellers, wat missen we aan verhalen? Zo heb ik aan een groot aantal Molukse vrienden (onder wie een aantal dat in de serie zat) gevraagd wat we niet hebben gehoord en gezien. Er was veel herkenning, zoals over de gefrustreerde vaders die hard straften. Maar wat ze in de documentaire niet terug hoorden en zagen, was dat de vaders zich ook tegen het ontslag hadden verzet, en in de woonoorden waren begonnen aan de opbouw van een eigen samenleving. Zij bekommerden zich ook om zaken die hen niet als (alleen maar) gefrustreerde slachtoffers zouden neerzetten. Kortom: signalen van interne kracht, die in de afleveringen node werden gemist. Neem in dat opzicht als voorbeeld de inzet van de Molukse leiders om in 1986 tot een overeenkomst (i.e. de Gezamenlijke Verklaring) te komen. Ook de drugshulpverlening was succesvol, maar onvoldoende kwam naar voren dat dit op eigen kracht gebeurde. 

Kleinschalige ontwikkelingshulp 

De band met de Molukken bleef steken in de relatie tot de RMS en de herinneringen aan de slechte leefomstandigheden van jaren geleden. Er was geen aandacht voor de oriëntatiereizen en de herijking van de relatie. Ook niet voor de kleinschalige ontwikkelingssamenwerking, zoals de steun aan nootmuskaatboeren om duurzaam te kunnen verbouwen, terwijl enkele geïnterviewden al jarenlang op dat gebied actief zijn. De beelden die het verhaal over de Molukken ondersteunden, waren oude opnames uit de jaren zestig of begin zeventig. Dat is problematisch – waarbij je je kunt afvragen of dit wel recht doet aan de mensen op de Molukken nu. Waarom wordt er geen gebruik gemaakt van de documentaires die de Molukse filmer Mary Hehuat maakte over ‘het land waar ik geboren ben’? Aan een herijking van de RMS-gedachte wordt ook weinig aandacht besteed.  

Op meerdere momenten sloten de ondersteunende beelden niet helemaal aan bij het verhaal. Als politiek leider in Nederland kwam vooral Manusama naar voren, ondersteund door beelden van de commando’s van rivaal Generaal Tamaela. In de laatste aflevering werd Tamaela weliswaar ‘gerehabiliteerd’, doordat hij op oude beelden te zien was. Maar wie de goede man was, werd niet verteld: de context werd er niet bij gegeven. Natuurlijk zijn ondersteunende beelden vooral bedoeld om aan het gesproken verhaal kleur te geven. Maar het is dan wel de vraag, of bijvoorbeeld beelden van lekkende wc’s in Schattenberg midden jaren zestig, nadat de barakken 15 jaar waren bewoond en op het punt stonden om te worden gesloopt, het juiste beeld geven bij de opvang in de woonoorden. En het is al helemaal de vraag wat de beelden van KNIL-militairen in actie doen onder het verhaal dat Indonesische troepen de RMS aanvallen. 

Een gemiste kans 

Als reactie op de vraag, hoe erg het is dat zaken als diversiteit, de politieke tegenstellingen en veerkracht in het verhaal van Coen Verbraak ontbreken, zou je – flauw gezegd – kunnen stellen dat in deze ‘vergeten geschiedenis’ weer veel vergeten is. Hoewel, mensen die dat zouden willen, kunnen het Molukse verhaal wel degelijk vinden. Het verhaal wordt op meerdere plekken verteld en is vaak beschreven, maar wordt nog te weinig op de nationale televisie getoond. Dit laatste hangt vooral af van de ruimte die een documentairemaker aan de Molukse stem wil geven. Molukse KNIL-militairen pasten uiteindelijk niet in een vorige serie van Coen Verbraak, Onze jongens op Java, waardoor hun stem daarin werd gemist. 

Een belangrijk effect van de serie was, zoals gezegd, dat de Nederlandse samenleving vooral werd geconfronteerd met wat Molukkers 70 jaar geleden overkwam, en hoe zij in de woonoorden werden opgevangen. Ze werd geconfronteerd met de pijn van de Molukkers en was daarvan geschrokken. Dat was, volgens één van mijn gesprekpartners die ook in de serie zit, vooral het effect van de eerste uitzending; en daar had Verbraak het wat hem betreft bij kunnen laten. Of hij had natuurlijk in de overige drie afleveringen wel de verdieping kunnen aanbrengen. Maar Verbraak koos daar uiteindelijk niet voor, waardoor de serie is blijven steken in een bekend en eenzijdig verhaal. Er is dan ook sprake van een gemiste kans. Of zoals één van mijn gesprekspartners het kernachtig formuleerde: ‘Het lijkt alsof de tijd heeft stilgestaan met een standaardverhaal over de (vergeten?) geschiedenis van Molukkers in Nederland (op weg naar huis?), en te weinig aandacht voor items zoals politieke, culturele en religieuze diversiteit, community development, transnationalisme, en transitie van de tweede naar de derde (en volgende) generatie(s) met de daarmee samenhangende herijking van het Molukse gedachte- en erfgoed.’ 


Coen Verbraak “De Molukkers. Een vergeten geschiedenis”. Alfabet Uitgevers 2021, € 22,99  

Coen Verbraak “Molukkers in Nederland – 70 jaar op weg naar huis” Vierdelige documentaire serie BNNVARA, uitgezonden op 19 en 26 mei, en 2 en 9 juni 2021 NPO 2, na te zien op NPO Start 

Dit artikel verschijnt tegelijkertijd in het Molukse maandblad Marinjo (juni/juli 2021)

BETA DISINI

BETA DISINI

Op zaterdag 17 juli presenteerden we de 3e editie van de online talkshow BETA DISINI oftewel IK BEN HIER — in het licht van 70 jaar Molukse aanwezigheid in Nederland. Tijdens de uitzending duikten we dieper in de wereld van Moluks entertainment door de jaren tot nu, van Nederland tot Maluku.

Hosts Gerson Oratmangoen en Talita Angwarmasse en tafelgasten gingen in op thema’s als historisch en cultureel bewustzijn, sociaal-maatschappelijke impact, representatie en gedeelde dromen voor de toekomst en jongere generaties. Daarnaast gingen we live met Molukkers in Ambon en Jakarta en werden de talks net als vorige uitzendingen afgewisseld met muzikale en culinaire breaks. Deze editie werkten we voor de programmering en productie samen met Tifa Magazine een onafhankelijk nieuws en entertainment platform met een focus op de internationale Molukse community.

Programma

Elke editie werken we met een andere partner, hosts en gasten. Deze editie werdt gepresenteerd door Gerson Oratmangoen (acteur, scenarist) en Talita Angwarmasse (zangers, danseres en actrice). Te gast zijn o.a. Jessica Manuputty (zangeres)), Benjamin ‘Benjih’ Vlijt (zanger) en Joshua Timisela (comedian). Met muziek van Arles Tita (Jakarta), Mario Yamlean (Merauke), Oceanikz x Ona Hetharua (Ambon) en Putry Pasanea (Ambon). Het kook gedeelte werdt dit keer verzorgd door Zainal Dean Umarella (cateraar) die ons meer gaat vertellen over de Molukse eet traditie waarbij je op het strand van palmbladeren eet — bekend als ‘Makan Petita’. 

Support het museum en wordt live publiek

In de toekomst willen we een groter publiek uitnodigen voor de talkshow lives. Lijkt het je leuk om daar bij te zijn? Support dan het museum voor 25,- per jaar, wordt deel van de publiekspool en krijg o.a. gratis toegang tot fysieke en digitale expo’s. Voor meer klik hier.

Collecties, archieven en programma’s

Het MHM helpt je kennis te maken met en/of je te verdiepen in Molukse geschiedenis, de kunsten en cultuur in de breedste zin. Als erfgoedinstelling beheren we verschillende collecties en multimedia archieven. Daarnaast ontwikkelen we exposities en multidisciplinaire programma’s in samenwerking met wisselende creatieve en commerciële partners. Sinds vorig jaar verbreden we onze focus als accelerator voor kunstenaars (middels exposities als IKAT) en community builder (middels online live programma’s als Beta Disini en Molukse Dialogen.)

Met dank aan

Bobby’s Dry Gin
Barak 51
Sau

BETADISINI LIVE #2 | ZO 20 JUNI

Kunst is noodzakelijk om het Molukse verhaal te verankeren in het Nederlandse collectieve geheugen — werd gesteld tijdens de eerste BETA DISINI live vanuit Museum Sophiahof. Maar in hoeverre kunnen we spreken over hét Molukse verhaal? En wat duiden we anno 2021 als Molukse kunst? Zijn er kaders en grenzen? En zo ja, moeten kunstenaars die dan niet juist  doorbreken om nieuwe wegen te verkennen?

Zondag 20 juni gingen we tijdens de tweede BETA DISINI live vanuit de studio in Hilversum in gesprek met Molukse kunstenaars die eerder grenzen opzochten in hun werk. We gingen in op populaire termen — als safe spaces, poppy syndrome, call-out en cancel culture — tijdens tafel- en bankgesprekken die werden afgewisseld met live muziek, spoken word performances en een culinair uitstapje naar de Molukse fusion keuken.

Programma
Deze editie van BETA DISINI werdt gepresenteerd door Djé-rimo Holle (artiest) en Charisma Pical (journalist en producer in media en cultuur). We gingen in gesprek met Jazzy Taihuttu (docent en regie-assistent van de film De Oost en programma-ontwikkelaar van De Wereld van De Oost), Tamara Soukotta (PhD onderzoeker bij The International Institute of Social Studies ISS van de Erasmus Universiteit en docent aan de Universiteit Leiden), Surya Nahumury (cultureel antropoloog/ founder Speak-Up/ Welke Sporen Horen We), Mirjam Manusama (fashion designer en founder van Atelier Manusama), Darcy Akollo (spoken word artist), Sarah Anne Rootert (interieurontwerper), Tuale Sopacua (deel van artist duo RUA) en Jeziel Sohuwat (Chef-kok van de Moluks fusion restaurant Ta-Toru).

BETADISINI LIVE #1| ZO 21 MAART

 
Het Moluks Historisch Museum presenteerde op zondag 21 maart de eerste livestream uitzending BETA DISINI (IK BEN HIER) op Zondag 21 maart om 12:00 uur. Op deze dag is het exact 70 jaar geleden dat de eerste schepen met grote groepen Molukse gezinnen in Nederland aankwamen. De NOS besteedde diezelfde dag aandacht aan dit historische feit met een thema-uitzending. Voor doorverwijzing links zie museummaluku.nl/beta-disini-info. Translations in Bahasa Indonesia and English can be found on Youtube as well.

BETA DISINI werd op 21 maart 2021 live uitgezonden vanuit Museum Sophiahof met een scala aan gasten op het gebied van kunst, wetenschap, educatie, sport en muziek. Het programma is meertalig – de hoofdvoertaal is Nederlands, maar ook deels in het Bahasa Daerah Maluku en Engels.We schijnen licht op de afgelopen decennia, tafelgesprekken over o.a. historisch en cultureel bewustzijn, beeldvorming en gedeelde toekomstdromen, en performances met muziek en spoken word van jonge generaties. Met BETA DISINI willen we bijdragen aan een meer evenwichtige beeldvorming van mensen met Molukse roots. Een beeldvorming die te vaak bepaald is door wat in koloniale tijden en de afgelopen 70 jaar over Molukkers is gezegd en geschreven.

BETA DISINI werd gepresenteerd door Jeftha Pattikawa (Verloren Banden) en Rocky Hehakaija (Favela Street). Aan tafel zaten o.a. aan Jazzy Taihuttu (docent en regie-assistent van de film De Oost), Milko Hitijahubessy (activist en columnist), Tamara Soukotta (PhD onderzoeker bij The International Institute of Social Studies ISS van de Erasmus Universiteit en docent aan de Universiteit Leiden) en Joaniek Vreeswijk (historicus). Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) Paul Blokhuis levert een bijdrage door middel van een videoboodschap. De muzikale bijdrage wordt onder meer verzorgd door Safa Liron, Rafael Sinay, Kick Woudstra, Giorgio Sitanala.

Beyond Walls
Als samenwerkingspartner was Beyond Walls verantwoordelijk voor het programmaconcept en de productie van de eerste BETA DISINI Live. Beyond Walls is een onafhankelijk collectief bestaande uit culturele professionals, academici en (beeld)kunstenaars. Rastovac is historica, curator en tevens mede-oprichter van Beyond Walls. Pattipeilohy is educator, curator en event producer, haar volgers op social media kennen haar van haar werk op Maluku (bijv. met Moluccas Coastal Care). Voor meer over de samenwerking zie het onderstaande artikel.

 

MHM SLAAT HANDEN INEEN MET BEYOND WALLS

 

#BETADISINI ✨

Vuurvliegjes schijnen hun licht als teken van aanwezigheid. Ze creëren nieuwe vormen en patronen om de aandacht vast te houden en in het donker elkaar te verlichten.⁣ Het Moluks Historisch Museum gebruikt de hashtag #betadisini oftwel ik ben hier om licht te schijnen op alle Molukkers die na aankomst in Nederland opnieuw vorm gaven aan hun leven en de generaties die volgden. Doe je mee? Download in de SOCIALKIT meer beeldmateriaal. Plaats deze tekst op je feed met foto’s of video’s van een Moluks verhaal dacht aandacht verdient met de hastags #betadisini (oftewel #ikbenhier) en tag anderen met de vraag om mee te doen. ⁣

CBS-Rapport over Molukkers in Nederland. Wat zeggen de cijfers?

In 2020 bracht het Centraal Bureau voor Statistiek (CBS) het rapport ‘Molukkers in Nederland. De sociaal-economische positie van Molukse migranten, hun kinderen en kleinkinderen’ uit. Dat CBS rapport kwam als een verrassing. De laatste grote studie naar de sociaal economische positie van Molukkers was in 2001 verschenen: ‘Molukse jongeren in Nederland. Integratie met de rem erop’ van de hand van Justus Veenman. Daarna verschenen nog wel wat overzichten en regionale studies. Maar een groter overzicht leek er niet in te zitten omdat Molukkers ‘statistisch onvindbaar’ waren.

Het CBS had dus een ‘achterdeurtje’ gevonden, namelijk een koppeling van registraties over onder andere inkomen, onderwijs, medicijnverbruik aan een lijst met Molukse namen uit het bevolkingsregister, officieel de Basisregistratie Personen. Die namenlijst baseerden ze op de scheepslijsten van 1951. Niet helemaal duidelijk is hoe ze zijn omgegaan met Europees klinkende namen als De Jong. Het moet een behoorlijke exercitie zijn geweest, maar ook wel een beetje beangstigend dat het kan. Als het mogelijk is om op namen te zoeken in het bevolkingsregister en die te koppelen aan andere registraties, dan beschikt de overheid wel over veel gedetailleerde privé-informatie van ons. Zeker met de kindertoeslagenaffaire in het achterhoofd waarbij algoritmes leidde tot etnisch profileren, kan dat zorgelijk zijn.

Terug naar het CBS rapport ‘Molukkers in Nederland’ (04-02-2021). Wat zeggen de cijfers? Wat zit er achter? En zijn ze zorgelijk? Het is onmogelijk om op alle cijfers in te gaan. Een paar hoofdzaken. 

Aantallen

Laten we eerst kijken naar de totale cijfers en definities van generaties die worden gebruikt. Schattingen van de omvang van de gemeenschap schommelden tussen 50.000 en 70.000 personen. Op basis van de namenlijst heeft CBS berekend dat de Molukse bevolkingsgroep bestaat uit 71.000 personen, ongeacht of beide of een van de ouders van Molukse afkomst is. Volgens het CBS leefden in 2018 van de eerste Molukse migranten nog 8.000 personen. Dat klinkt wat vreemd als we bedenken hoezeer de eerste generatie, waarover we meestal spreken, al is uitgedund. Die is op slechts een paar handen te tellen.

“Voor het CBS zijn de ‘eerste generatie’ alle Molukse migranten die aan boord van de schepen zaten. Ook de 0 of 1-jarigen.”

Het hoge aantal van het CBS komt door de definities die zij gebruikt. In de meeste studies spreekt men over de eerste generatie als men de volwassenen in 1951 bedoeld en de tweede generatie als het om hun kinderen gaat. De wat oudere kinderen in 1951 worden aangeduid als bung en usi generatie. Het CBS hanteert een statistische definitie. Hoewel ze af en toe wel spreken over 2de en 3de generatie, gaat zij uit van ‘Molukse migranten’ hun ‘kinderen’ en hun kleinkinderen’. Voor het CBS zijn de ‘Molukse migranten’ alle mensen die aan boord van de schepen zaten. Dus ook de o of 1 jarigen. Samen met hun oudere broers en zusters en ouders de Molukse migranten vormen die baby’s de ‘Molukse migranten’ of eerste generatie. De aanpak van het CBS is begrijpelijk. Het nadeel is dat Molukkers met uiteenlopende ervaringen – bijvoorbeeld aan het einde van de woonoord-periode en pas eind jaren zeventig naar de basisschool – als een categorie worden beschouwd. 

Wonen

Vaak werd geschat dat zeker 60% van de Molukse gemeenschap buiten de wijk woont. Het CBS komt niet met een hard cijfer over wie er in de wijk woont. Wel heeft ze kunnen vaststellen dat 63% van de Molukkers in een ‘Molukse gemeente’ woont. Voor de eerste generatie ligt dat percentage het hoogst, voor de derde het laagst. Opvallend is dat het er meer mensen met vier Molukse grootouders in een ‘Molukse gemeente’ woont dan Molukkers met minder Molukse voorouders. Overigens is hier wel direct een disclaimer op zijn plaats. Alle tantes die met de schepen meekwamen, waarvan er 27,5% niet Moluks was, worden als Molukse grootouder gerekend.


Collectie Museum Maluku (coll. J de Lima, fotograaf niet bekend)

Niet alle cijfers die het CBS geeft zijn echt zinvol. Zo berekent zij dat vergeleken met de Molukse bevolkingsgroep (63%) slechts 35% van de Nederlandse bevolking in een Molukse gemeente woont. Met zo een vergelijking kun je eigenlijk alleen iets als gekeken was naar hoeveel Nederlandse bewoners nog in de gemeente wonen waar zij zijn geboren. Even weinig zeggend is de berekening dat Leerdam relatief de grootste Molukse populatie van Nederland heeft. Dat zegt alleen iets over de verhouding tussen het aantal Molukse en niet-Molukse inwoners, maar weinig over bijvoorbeeld de spreiding van Molukkers over Nederland. Zodra Leerdam fuseert met een andere gemeente dan kan Leerdam die ‘toppositie’ direct verliezen. 

Onderwijs

De onderwijspositie van Molukkers was tot nu toe in veel sociaal economisch onderzoek een punt van zorg. Veenman kwam in de jaren negentig tot hoopvolle conclusies. De tweede generatie was bezig met een inhaalslag en het zou mooi zijn als de derde generatie die zou voortzetten. In 2001 moest hij helaas constateren dat die vooruitgang er niet in zat. Het CBS komt tot eenzelfde conclusie. Molukkers haalden tussen 2013 en 2018 minder vaak een startkwalificatie (minimaal MBO 2), er was sprake van een hoge schooluitval en Molukkers behaalden een lager opleidingsniveau dan de Nederlandse bevolking. 


Fotograaf: O. Tatipikalawan (1985), Bron: Museum Maluku

Het CBS berekende ook of de onderwijsprestaties van Molukkers verschillend was vergeleken met Nederlanders in een vergelijkbare uitgangspositie. Een decompositieanalyse zoals dat zo mooi heet, dus waarvan de ouders een vergelijkbaar opleidingsniveau, inkomen en gezinssituatie hebben. De verschillen zijn dan een stuk kleiner. Dat stemt aan de ene kant positief. Het had ernstig geweest als de verschillen dan ook groot waren. Aan de andere kant stemt het pessimistisch want dat betekent dat de achterstand die vanaf de aankomst is opgebouwd niet lijkt te worden ingelopen.

“Het CBS vergeet te vermelden dat het lage onderwijsniveau deels resultaat is van de Nederlandse autoriteiten die de meeste Molukse leerlingen in de beginjaren naar het lbo doorverwezen.”

In de achtergrondschets van de onderwijspositie door het CBS zit wel een bijzondere omissie [‘nalatigheid, verzuim,’ Red.]. Zij schrijft dat de achterstanden hardnekkig waren en dat die mede waren veroorzaakt door het lage onderwijsniveau van de ouders. Volgens het CBS was het Nederlandse beleid er in het begin op gericht om Molukkers zoveel mogelijk Nederlands onderwijs te geven. Wat zij vergeet te melden is dat in de beginjaren de meeste Molukse leerlingen door de Nederlandse autoriteiten werden doorverwezen naar het lager beroepsonderwijs. Jongens naar de Lagere Technische School en meisjes naar de huishoudschool. 

Werk

De CBS verslaglegging over de positie van Molukkers op het gebied van werk volgt een vergelijkbaar traject met dat van onderwijs. Uit eerdere studies bleek al dat de arbeidsdeelname van Molukkers lager was dan van Nederlanders. Molukkers beginnen eerder met werken, bereiken minder hoge lonen en hebben vaker uitzendwerk waardoor ze een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt hebben. De verschillen zijn echter niet groot en fluctueren per categorie. Zo werken 65 tot 75 jarige Molukkers iets meer dan Nederlanders. En werken Molukse vrouwen vergeleken met Nederlandse vrouwen iets vaker fulltime. Maar waarom dat is, kan niet uit de cijfers worden gelezen.


O. Tatipikalawan (1990), Bron: Museum Maluku

En opnieuw, als vergeleken wordt met een sociaaleconomisch vergelijkbare groep Nederlanders (de decompositieanalyse) dan blijken de verschillen een stuk minder zijn. Ze worden bijna miniem. De ‘kinderen van de migranten’ (tweede generatie) doen het dan beter, maar de ‘kleinkinderen’ juist weer slechter dan de Nederlanders. Dus kunnen we opnieuw concluderen dat de bestaande achterstand niet wordt ingelopen omdat de Molukse bevolkingsgroep gemiddeld genomen wat betreft werk blijft steken. 

Jeugdzorg, jeugdhulp en criminaliteit

In eerdere studies is niet apart aandacht besteed aan de positie van Molukkers in relatie tot de jeugdzorg en criminaliteit. Het CBS had schijnbaar ook toegang tot registers over jeugdbescherming, jeugdzorg en over verdachten van misdrijven.

In 2018 kregen Molukse jongeren iets minder jeugdhulp (steun voor de jongeren) dan Nederlandse jongeren. Volgens het CBS kregen jongeren met meer Molukse grootouders minder jeugdhulp dan jongeren met minder Molukse grootouders. Dat kan wijzen op ondersteuning vanuit de gemeenschap. Maar alleen op basis van de cijfers valt dat niet met zekerheid te zeggen. 


collectie Museum Maluku

Voor jeugdbescherming (ingrijpen van buiten voor de veiligheid van de jongere) lagen de cijfers anders. Daar scoorden Molukse jongeren anderhalf keer hoger dan Nederlandse jongeren. Waarom dat zo was kan niet uit de cijfers worden afgelezen. 

Voor cijfers over verdenking van Molukkers van een misdrijf gebruikte het CBS registraties tussen 2014 en 2018. Die wezen uit dat personen met een Molukse achtergrond bijna twee keer zo vaak van een misdrijf werden verdacht dan personen met een Nederlandse achtergrond (respectievelijk 10,7 en 6,2%). Molukse vrouwen waren, vergeleken met Nederlandse vrouwen iets meer verdacht van criminaliteit en, niet onverwacht maar een regulier patroon, jongeren werden vaker verdacht dan ouderen.

Probleem bij al deze analyse is dat aantallen weinig zeggen. Waar worden ze van verdacht? Geweldpleging? Financiële delicten? Ook voor criminaliteit voerde het CBS een decompositieanalyse uit. Ze kon de verschillen echter niet verklaren. 

Gezondheid

Het laatste domein dat het CBS heeft bestudeerd is gezondheid, zij het beperkt. Wat betreft medicijngebruik zijn alleen antidepressiva, antipsychotica en medicijnen tegen obesitas vergeleken, en er is gekeken naar de ziektekosten van Molukkers. Molukkers betalen minder ziektekosten omdat ze gemiddeld jonger zijn, ze slikken minder antipsychotica, maar ze slikken wel twee keer zoveel diabetisch medicijnen. Dat laatste is zorgelijk, want heeft met eetpatronen en beweging te maken.

Op zich zou hier een ‘decompositieanalyse’ op zijn plaats zijn geweest omdat obesitas kan samenhangen met de sociaaleconomische positie van mensen. Het CBS laat ons hier helaas in de steek. Mogelijk dat vanwege privacy geen verbinding tussen het bevolkingsregister en medicijngebruik gemaakt mag worden.

Dat roept wel de vraag op waarom het hoofdstuk gezondheid en eventueel ook ‘jeugdzorg’ in het CBS rapport is opgenomen. Als die niet gelijkwaardig aan onderwijs en werk vergeleken kan worden, wat is dan de toegevoegde waarde?

Moeten we ons zorgen maken?

Wat betekent het CBS rapport nu? Wat zeggen de cijfers en zijn die zorgelijk of niet? Het is tijd om de balans op te maken. Het is mooi dat er nu betrouwbare cijfers zijn over het aantal Molukkers in Nederland en hoeveel Molukkers nog in de Molukkers gemeenten wonen.

De cijfers over de onderwijs- en arbeidspositie stemmen tot nadenken. Het lijkt erop dat beide posities de laatste 20 jaar niet zijn veranderd. De decompositieanalyse (vergelijken met Nederlanders in dezelfde uitgangspositie) laat zien dat de posities van Molukkers lijken op de Nederlandse, dat lijkt positief. Maar het betekent ook dat de Molukse bevolkingsgroep als geheel wat betreft deelname aan onderwijs en arbeid nog steeds te maken heeft met achterstand. Wat de cijfers niet laten zien is hoe dat komt. Waar lopen Molukkers tegen aan? Er zijn wel degelijk Molukkers die betere posities wisten te bereiken. Welke wegen hebben zij bewandeld? Helaas geven de cijfers daar geen antwoord op. Daarvoor zou kwalitatief onderzoek moeten worden gedaan. 

“De waarom- en hoe-vragen komen direct bovendrijven bij cijfers over jeugdhulp en verdenkingen van misdrijven.”

Datzelfde geldt voor de verschillen die het CBS soms ziet tussen Molukkers met vier of minder Molukse grootouders, zoals bij de jeugdhulp. Is er een relatie en hoe werkt die? Eenzelfde verhaal geldt voor cijfers over medicijnen gebruik. Waarom bijvoorbeeld minder antipsychotica? Heeft dat met onderlinge steun te maken? En dat hoge cijfer voor die diabetisch medicijnen? Waarom? 

De waarom- en hoe-vragen komen ook direct bovendrijven bij de cijfers over verdenkingen van misdrijven. Waarom is die zo hoog? Heeft daarin misschien meegespeeld dat het Openbaar Ministerie tussen 2014 en 2018 onderzoek deed naar de motorclub Satudarah, om het te kunnen verbieden? Waardoor de combinatie Molukkers en criminaliteit even onder het vergrootglas lag? Of hebben de conflicten in meerdere Molukse wijken over de toewijzing van leegstaande woningen, waarbij een steen door de ruit ging of een huis beklad werd, daaraan bijgedragen? Op dit soort relevante vragen kan alleen antwoord komen als de cijfers meer inhoud krijgen. 

“De cijfers wijzen op zorgpunten op het terrein van welzijn, gezondheid en criminaliteit maar zeggen niet hoe dat komt.”

Het CBS rapport dat de Molukse bevolkingsgroep bij wijze van spreken een beetje uit de statistische schaduw heeft gehaald, heeft vooral een attenderende waarde. Het zegt ons dat de sociaaleconomische achterstand die er was maar slechts heel langzaam wordt ingelopen. Maar het laat ons niet zien hoe dat komt. De cijfers wijzen ook op zorgpunten op het terrein van welzijn, gezondheid en criminaliteit. Maar ze zeggen niet wat de werkelijke problematiek is, wat de achtergrond is en dus ook niet hoe je dingen kunt verbeteren. In die zin roept het rapport om kwalitatief vervolgonderzoek.

*Dit artikel verschijnt tegelijkertijd in Marinjo magazine

Delegatie Aponno, de eerste stappen naar een overkomst

Volgend jaar, 2021, is het 70 jaar geleden dat 12.500 Molukkers – grotendeels ex-KNIL militairen en hun gezinnen – in 12 transporten naar Nederland kwamen. Dat was in maart, maar de eerste stappen naar die overkomst werden eigenlijk al in december 1950 gezet. Tijdens een rechtszaak bedong de delegatie onder leiding van sergeant majoor Aponno, dat de Nederlandse staat Molukkers niet mocht laten afvloeien op gebied dat onder de controle stond van de Republiek Indonesië. Recent las ik het vonnis van 21 december 1950 weer eens. Daar stonden interessante dingen in. Maar waarom spande de delegatie Aponno een rechtszaak aan en waarom was dat achteraf gezien de eerste stap naar de overkomst?  

Op 26 juni 1950 was het KNIL officieel opgeheven. Alle KNIL militairen die op dat moment nog niet waren gedemobiliseerd, dat waren in ieder geval nog een kleine 4.000 Molukse mannen in dienst van het KNIL, kregen tijdelijk de status van Koninklijke Landmacht (KL). Dat was de enige manier om ze onder Nederlands gezag te houden. Een mes dat aan twee kanten sneed: ze moesten opdrachten blijven opvolgen en tegenover de Indonesische overheid bleef Nederland ook verantwoordelijk voor ze.  
 

Maar waarom spande de delegatie Aponno een rechtszaak aan en waarom was dat achteraf gezien de eerste stap naar de overkomst? 

Het recht van een KNIL militair was afvloeiing op plaats van herkomst of van keuze. Voor veel van de Molukse KNIL mannen was dat na de RMS proclamatie de Molukken geworden. Voor de Indonesische en Nederlandse overheid was die plaats onacceptabel omdat zij de RMS als een opstand beschouwden. Het wantrouwen naar de Nederlandse overheid onder de Molukse KNIL militairen groeide. Men was er niet zeker van de Nederland hen niet zou dwingen om ter plekke, dus op grondgebied van de Republiek Indonesië, af te vloeien.  

Delegatie Aponno naar Nederland
Om daar een stokje voor te steken werd in augustus een delegatie naar Nederland gestuurd om rechtstreeks met de Nederlandse overheid te spreken. Deze delegatie onder leiding van sergeant majoor F.A. Aponno bestond verder uit dominee A.Z. Sahetapy, korporaal Ch.P. Tauran, sergeant J. Siauta en de sergeant majoor J. Kapel. In Nederland werden ze ontvangen door de koningin, door politici en door de organisatie ‘Door de Eeuwen Trouw’ (DDET). DDET zorgde ook voor juridische ondersteuning.  
 
In eerste instantie probeerde Aponno en zijn delegatie de Nederlandse staat begin december 1950 via een vordering te dwingen om de Molukse ex-KNIL militairen die op Java waren ondergebracht over te laten brengen naar Ceram. Dit was een van de vrije gebieden in de Zuid Molukken – bedoeld werd dus onder de RMS –  of naar Nieuw Guinea. In het vonnis las ik dat dat Aponno de Nederlandse regering op 4 december beval om op 7 december aan te geven waar ze de Molukse militairen heen bracht. De Nederlandse reactie was om niet in te gaan op de eis, maar Aponno en de zijnen het bevel te geven terug te gaan naar Indonesië. Bovendien kregen zij daarna ook geen rijstmaaltijden meer op de Frederikskazerne waar zij schijnbaar verbleven. 
 

De rechter stelde de delegatie Aponno op 21 december 1950 in zijn gelijk en vonniste dat de Nederlandse staat de Moluks ex-KNIL militairen zonder hun toestemming niet mocht laten afvloeien op door de Republiek Indonesië beheerst gebied. 

Deze Nederlandse non-reactie kon alleen maar worden beantwoord met een kort geding, anders zou Nederland de militairen alsnog op Java op straat kunnen zetten. In het geding eiste de delegatie Aponno niet meer waarheen de ex-KNIL militairen moesten worden afgevloeid, maar definieerde ze waar men niet gedemobiliseerd wilde worden. Dat was dus al het gebied dat door de Republiek Indonesië werd beheerst. Daar immers zouden de ex-KNIL militairen en hun gezinnen ‘gevaar voor leven en vrijheid’ lopen. Met die eis viel eigenlijk heel Indonesië af voor demobilisatie, ook de Zuidoost Molukken die eerder nog wel in beeld waren. Maar ook Ceram – in het hypothetische geval dat Nederland de ex-KNIL militairen daarheen zou willen brengen- verviel als demobilisatie plek omdat een groot deel van het eiland al weer in handen van Indonesië was. 

De rechter stelde de delegatie Aponno op 21 december 1950 in zijn gelijk en vonniste dat de Nederlandse staat de Moluks ex-KNIL militairen zonder hun toestemming niet mocht laten afvloeien op door de Republiek Indonesië beheerst gebied. Het vonnis werd in hoger beroep en in cassatie bevestigd. Door dat vonnis werd de Nederlandse overheid slechts gedeeltelijk afhankelijk van de wensen van de Molukse ex-KNIL militairen. Zij konden alleen op Indonesisch gebied kunnen worden gedemobiliseerd met toestemming. Maar daar buiten? Daar hoefde schijnbaar geen toestemming voor te zijn. We weten nu dat dat Nederland werd en dat daar een spel van al of niet echte keuzes aan vooraf ging. Een spel waarin overigens ook de delegatie Aponno een rol speelde. Maar dat is iets voor later.  

Bij herlezing van het vonnis viel nog iets anders op. Er lijkt een soort vooraankondiging van ontslag bij aankomst in te staan. Niet aangezegd door de Nederlandse Staat, maar geformuleerd door de advocaat van de delegatie Aponno. Deze lijkt van mening te zijn dat de rechter uitspraak moet kunnen doen omdat de situatie van de ex-KNIL militairen urgent is: “doordat hier dreigende inbreuken zijn zowel op het leven althans op de vrijheid van de ongewapende oud-KNIL militairen, die burgers zijn vanaf het ogenblik, dat zij in de plaats van afvloeiing aan land zijn gezet”. Dat klonk niet goed, want wie definieerde uiteindelijk de ‘plaats van afvloeiing’?  

Kacamata historis baru menunjukkan perbudakan di Asia

Rubrik oleh Prof. Dr. Fridus Steijlen

Pada akhir September buku ‘De Slavernij in Oost en West; Het Amsterdam Onderzoek’ (‘Perbudakan di Timur dan Barat; Penelitian Amsterdam’) dipresentasikan. Tiga hari kemudian presentasi ini disusul oleh seminar-seminar kecil-kecilan tentang tema tersebut di berbagai tempat dalam kota. Yang terakhir disebabkan aturan corona. Buku ‘Perbudakan di Timur dan Barat’ adalah suatu buku istimewa. Buku ini adalah suatu ‘state of the art’, seperti orang sering bilang, suatu pertunjukan dari sesuatu yang sudah terkenal. Sebanyak empat puluh orang menulis dalam buku ini tentang berbagai hal yang berkaitan dengan Amsterdam dan perbudakan.

Bukunya

Alasan pembuatan buku tersebut adalah keinginan dewan kota untuk memohon maaf atas peran Amsterdam dalam perbudakan. Tetapi, dengan demikian, orang harus mengetahui dulu untuk apa sebenarnya mereka memohon maaf. Penelitian baru tidak bisa dilakukan sebab waktunya terlalu kepepet (tidak sampai setahun). Oleh sebab itu buku ini dibentuk oleh 40 sumbangan tentang keterkaitannya Amsterdam dan dewan kota serta anggotanya dalam perbudakan. Buku ini menceritakan peran dewan kota, apa yang masyarakat dapat mengetahui dan bagaimana mereka juga terpengaruh oleh perbudakan dengan produk-produk yang dibuat oleh budak, tapi juga menceritakan bagaimana masa lalu itu masih memengaruh kehidupan di masa kini.

Saya mendapat kehormatan untuk menduduki posisi dalam panitia bimbingan ilmiah. Di posisi ini saya bisa melihat bagaimana penulis dan redaksi bekerja keras untuk bisa menghasilkan produk akhir yang kualitatif. Tetapi itu juga berarti bahwa saya dipersilahkan untuk membaca terlebih dahulu sebelum produk akhir selesai, sebab saya sebagai pembimbing dalam panitia harus ikut membaca selama proses penulisan berjalan.

Dengan jujur saya akui bahwa saya sempat ragu saat saya mulai membaca 40 bab lebihnya. Bagian-bagian sejarah kecil tentang banyak hal yang berbeda-beda. Tapi semakin saya lanjut membaca, semakin naskah tulisan ini membuat semuanya jelas. Membacanya merasa seperti sedang bermain puzzle yang terdiri dari seribu potongan dan semakin banyak potongan bisa diletakkan, semakin gambar seluruhnya menjadi jelas. Dan itu luar biasa. Buku ini menunjukkan sebagaimana perbudakan pada saat itu, dan terkadang pada saat ini masih juga, terikat dalam kemasyarakatan. Para juragan yang mengangkut gula dan rempah-rempah dari Amsterdam ke daerah pedalaman juga menghidupi diri dengan mengankut barang-barang yang dibuat oleh orang-orang yang diperbudakkan. Pada masa kini konglomerat disini melaksanakan suatu tanggung jawab khusus bernama ‘ketenverantwoordelijkheid’ (tanggung jawab berantai), yang bermaksud konglomerat harus bisa menjamin bahwa barang-barang yang mereka jual di toko-toko tidak dibuat oleh perbudakan atau pekerja anak. ‘Ketenverantwoordelijkheid’ ini adalah sesuatu yang ada pada masa kini dan tentu saja tidak ada pada masa lalu. Tapi kami disadarkan juga bahwa perhatian yang selalu diarahkan kepada perdagangan budak trans-Atlantik, sebagaimanapun juga itu wajar, memudarkan penglihatan kami. Karena juga di, yang dalam bahasa Belanda disebut, ‘de Oost’ (Timur) perbudakan itu tentu saja juga ada.

Apa yang kami pelajari?

Pada hari-hari sebelum bukunya dipresentasikan, salah satu teman Maluku saya bertanya apa saya pelajari dari naskah tersebut. “Banyak” saya menjawab, tapi satu hal terkhusus. Yaitu bahwa kami butuhkan suatu ‘kacamata baru’ (pandangan baru) untuk melihat sejarah kolonial di Asia, Indonesia dan Maluku.

Kami sebernanya dengan lama menggunakan istilah-isiltah eufemistis ketika kami bicarakan atau menulis tentang perbudakan dan kerja paksa. Di saat kami bicarakan ‘perken’ (wilayah perkebunan) di Banda, setelah pembantaian oleh J.P. Coen pada tahun 1621, kami bicara tentang orang-orang yang diperbudakkan lalu diberi kepada orang untuk menggarap tanahnya, tapi kami kurang membicarakan para ‘perkeniers’ (pemilik tanah, atau tuan tanah) yang juga menjadi korban dari kerja paksa. Kami membicarakan ‘monopoli’ atas perdagangan rempah, yang terdengar seperti metode perekonomian, sedangkan para petani Maluku sebenarnya dipaksa kerja untuk jumlah yang ditentukan oleh VOC. Itu juga termasuk kerja paksa. Pada kurun waktu kolonial selanjutnya kami bicara tentang ‘herendiensten’ sebagai suatu bentuk membayar pajak (‘herendiensten’ merupakan suatu sistem dimana para petani diharuskan bekerja untuk dan menyerahkan sebagian dari hasil tanah kepada seorang pemimpin yang juga pemilik tanahnya, dengan timbal baliknya mendapatkan perlindungan oleh pemimpin tersebut), tapi dengan demikian kami sebenarnya tetap berbicara tentang kerja paksa dan perampasan kebebasan oleh seorang pemimpin asing. Dan apalagi perempuan-perempuan yang sebagai nyai diperlakukan seperti barang milik oleh para tuan kolonial. Untung belakangan ini peristiwa sejarah ini menjadi bahan penulisan, tapi lama sekali ini tidak terjadi. Pemindahan terpaksa juga sering terjadi secara sistematis di Asia.Disana banyak orang yang diperbudakkan kemudian diperdagangkan dan dibawah dari satu tempat ke tempat lain. Perdagangan tersebut bukan suatu ‘aktifitas ekonomi khusus’ dari Verenigde Oost Indische Compagnie (VOC, Persatuan Perusahaan Hindia Timur) seperti itu aktifitas khususnya West Indische Compagnie (WIC, Perusahaan Hindia Barat Belanda). Oleh sebab itu aktifitas tersebut kurang terkenal sebagai aktifitas VOC, tapi walaupun kurang terkenal tetap terjadi. Yang saya pelajari, saya menyimpulkan, adalah bahwa kami membutuhkan suatu pandangan baru untuk sejarah kolonial di Asia. Suatu pandangan yang memberikan kami kemampuan untuk melihat kerja paksa dan perbudakan secara lebih baik dan lebih benar. Bukan untuk menimbulkan persaingan perbudakan antara ‘de Oost’ (Timur) dan ‘de West’ (Barat). Dampaknya perbudakan trans-Atlantik sampai sekarang masih terasa, juga di Asia. Tapi sudah terlalu lama kami menyelimutinya secara eufemistis dengan istilah-istilah ekonomis. Penting adalah melihatnya dan menyebutkannya. Dengan demikian kami bisa dapat menemukan perbedaan dan kesamaan dan melangkah maju.

Saatnya

“Itulah apa yang saya pelajari”, saya mengatakan kepada teman saya. Lalu berlangsunglah presentasinya dan seminarnya dengan banyak perhatian dari media. Saya kemudian menyadari bahwa dewan kota Amsterdam, mungkin tanpa perencanaan, telah menciptakan suatu momentum. Bisa saja mereka memohon maaf dan kemudian kami sedikit berbincang tentang permohonan maaf itu. Tapi yang terjadi adalah kemunculan momen sebelum permohonan maafnya di mana pengetahuan yang ada tentang masa lalunya perbudakan Belanda dan khususnya di Amsterdam menjadi fokus. Pada momen tersebut perbudakan mondial dibahas, dan dengan demikian juga di ‘de Oost’ (Timur), dimana mereka membahas Banda sebagai tempat yang termasuk tempat pertama dimana orang-orang Belanda secara sistematis memakai orang-orang yang diperbudakkan. Dan seluruh Belanda menjadi saksinya.

Inilah saatnya untuk memakai kacamata historis baru dan melihat ulang zaman kolonialisme yang berhubungan dengan perbudakan di Asia.

Nieuwe historische bril laat slavernij in Azië zien

Column door prof.dr. Fridus Steijlen

Eind september werd het boek ‘De slavernij in Oost en West; Het Amsterdam onderzoek’ gepresenteerd. Drie dagen later gevolgd door kleinschalige seminars over de thematiek op verschillende plaatsen in de stad. Dat laatste uiteraard vanwege de corona-maatregelen. ‘De slavernij in Oost en West’ is een bijzonder boek. Het is een state of the art, zoals men dat wel noemt, een weergave van wat al bekend is. Eenenveertig schrijven in het boek over uiteenlopende zaken met betrekking tot Amsterdam en slavernij.

Het boek

De aanleiding voor het boek is de wens van het gemeentebestuur om namens het stadsbestuur excuses te maken voor de rol van Amsterdam in de slavernij. Maar, zo was de redenatie, dan moest men wel weten waarvoor excuses gemaakt moesten worden. Nieuw onderzoek zat er vanwege de tijd – een klein jaar – niet in. Dus werd het een overzicht met meer dan 40 bijdragen over de vervlechting van Amsterdam en haar stadsbestuur in de slavernij. Het gaat over de rol van het stadsbestuur en de stadsbestuurders, over wat de bevolking ervan mee kreeg en hoe die ook te maken hadden met producten die met slavernij waren gemaakt, maar het gaat ook over hoe dat verleden nog steeds doorwerkt in het heden.

Je gaat zien hoe sterk slavernij verweven was en soms nog is, in de haarvaten van de samenleving.

Ik had de eer om zitting te nemen in de wetenschappelijke begeleidingscommissie. Je kijkt dan mee in de keuken en kan zien hoe de auteurs en redactie (ook beeld redactie) keihard werken om een kwalitatief gedegen eindproduct te leveren. Maar je mag dan ook eerder dan anderen ‘proeven’ van dat eindproduct, want je wordt geacht mee te lezen.

Eerlijk gezegd twijfelde ik even toen ik begon aan de ruim veertig korte hoofdstukken. Kleine stukjes geschiedenis over veel verschillende dingen. Maar hoe meer ik ‘proefde’ en las kwam het manuscript steeds harder binnen. Het was alsof je een duizend-stukjes-puzzel legt en naarmate meer stukjes op tafel liggen ontrafeld zich het totaal. En dat was ongelooflijk. Je gaat zien hoe sterk slavernij verweven was en soms nog is, in de haarvaten van de samenleving. De beurtschippers die vanuit Amsterdam suiker of specerijen naar het achterland vervoerden leefden ook van de goederen geproduceerd door tot slaaf gemaakten. Tegenwoordig hechten we aan een keten-verantwoordelijkheid, dat wil zeggen dat winkels moeten kunnen garanderen dat hun producten niet zijn gemaakt door kinderarbeid of slavenarbeid. Keten-verantwoordelijkheid is van nu en zeker niet van toen. Maar je gaat je ook realiseren dat de aandacht die altijd uitging naar de trans-Atlantische slavenhandel en uitbuiting op de plantages, hoe terecht ook, je zicht belemmerde. Want ook in wat zo Nederlands ‘de Oost’ heet was wel degelijk sprake van slavernij.

Wat leerde je?

In de dagen voor de boekpresentatie vroeg een Molukse vriend mij wat ik van het manuscript had geleerd. ‘Veel’ vertelde ik hem, maar een ding in het bijzonder. Dat is dat we een nieuwe bril nodig hebben om naar de koloniale geschiedenis in Azië, in Indonesië en in de Molukken te kijken.

Eigenlijk hebben we lang in eufemistische woorden over vormen van slavernij en dwangarbeid gesproken en geschreven. Als we het over de perken op Banda hadden, na de moordpartij door JP Coen in 1621 hadden we het wel over de tot slaaf gemaakten die men kreeg om de perken te bewerken, maar we spraken niet echt over de perkeniers die ook slachtoffer waren van dwangarbeid. We spraken over een ‘monopolie’ op de specerijenhandel, wat klinkt als een economisch mechanisme, maar in feite werden Molukse boeren gedwongen te werken voor een prijs die de VOC hen oplegde. Ook dat is een vorm van gedwongen arbeid. In de latere koloniale periodes hebben we het over herendiensten als een vorm van belasting, maar dan  hebben we het toch eigenlijk ook over gedwongen arbeid en ontneming van vrijheid door een vreemde overheerser. En wat te denken van de vrouwen die als nyai als eigendom door koloniale heren werden behandeld. Gelukkig wordt daar de laatste tijd over geschreven, maar te lang was dat een ‘gegeven. Ook ontheemding kwam stelselmatig voor in Azië. Ook daar werden tot slaaf gemaakten van de ene plek naar de andere gebracht en verhandeld. Die handel was minder een ‘specifieke economische activiteit’ van de Verenigde Oost Indische Compagnie, zoals die dat wel was van de West Indische Compagnie. Daardoor stond het minder op de voorgrond, maar het gebeurde wel.

Wat ik geleerd heb, vatte ik samen, is dat we een nieuwe bril voor de koloniale geschiedenis in Azië nodig hebben. Eentje die beter zicht geeft op de gedwongen arbeid en de slavernij. Niet om een wedloop in slavernij tussen ‘de Oost’ en ‘de West’ te beginnen. De impact van de trans-Atlantische slavernij is nog altijd zeer voelbaar, die in Azië ook. Maar we hebben het te lang eufemistisch weggemoffeld in economisch jargon. Het is belangrijk om het te gaan zien en te benoemen. Dan kunnen we de verschillen en overeenkomsten ontdekken en stappen maken.

Fort Belgica op Banda Neira

Het moment

Dat waren mijn lessen vertelde ik mijn vriend. En toen kwamen de presentatie en de seminars, met veel aandacht in de media. Ik realiseerde me toen dat het gemeentebestuur van Amsterdam, vermoedelijk zonder vooropgezet plan, een momentum had gecreëerd. Ze hadden excuses kunnen aanbieden en dan hadden we wat kunnen discussiëren over die excuses. Nu ontstond een moment voorafgaande aan die excuses waar de bestaande kennis over het slavernij verleden van Nederland en in het bijzonder die van Amsterdam samengebald in de spotlights stond. Daarin werd gesproken over slavernij wereldwijd en dus ook in ‘de Oost’, daar werd gesproken over Banda als een van de eerste plaatsen waar Nederlanders stelselmatig tot slaaf gemaakten hadden gebruikt. En heel Nederland was er getuige van.

Dit is het moment om een nieuwe historische bril op te zetten en opnieuw te kijken naar het kolonialisme in relatie en slavernij in Azië.

Actie Wassenaar 1970 – Een wake up call

Een variant van de poster met een groepsfoto van de actievoerders van de actie Wassenaar 1970 heeft een nieuw leven gekregen. De oorspronkelijke poster had een roodachtig achtergrond met boven groepsfoto in vlammende letters geschreven ‘Wassenaar’ en eronder ’35 pahlawan RMS’ (35 RMS helden). Op de nieuwe versie prijken dezelfde letters, maar nu in goud, tegen een achtergrond met de RMS vierkleur en staat onder de foto: Mena-Muria 31 augustus 1970 – 31 augustus 2020. Het is een oproep voor de vijftigjarige herdenking van de actie.

De actie Wassenaar, de bezetting van de residentie van de Indonesische ambassadeur op 31 augustus 1970, was de eerste van een serie radicale acties in de jaren zeventig. Na een dag gaven de jongeren zich over, nadat door de Nederlandse regering beloofd was dat er gesprekken kwamen tussen de Nederlandse regering en de Molukse leiders. Begrijpelijkerwijze wordt die eerste actie overschaduwd door de treinkapingen en gijzelingsacties van 1975 en vooral die in de Punt en Bovensmilde van 1977 toen de acties met veel geweld werden beëindigd waarbij doden vielen. Dat de actie Wassenaar vaak in de schaduw staat is niet helemaal terecht. In meerdere opzichten was de actie een belangrijk moment. Binnen de Molukse gemeenschap en de politieke strijd en voor de relatie met de Nederlandse samenleving. Maar ook voor de Nederlandse overheid, voor hen was het zelfs een soort wake-up-call.

Dat de actie Wassenaar vaak in de schaduw staat is niet helemaal terecht. In meerdere opzichten was de actie een belangrijk moment.

Tegen het einde van de jaren zestig kwamen Molukse jongeren steeds vaker in aanvaring met Nederlandse jongeren. Er werd wel gesproken over een opkomende ‘Black Power-mentaliteit’ onder Molukse jongeren om erop te wijzen dat Molukse jongeren zich steeds zelfverzekerder en trots op hun eigen identiteit de confrontatie met hun Nederlandse leeftijdsgenoten en de Nederlandse overheid aangingen. Dat ging in eerste instantie niet om politieke zaken. Met de actie Wassenaar kreeg die confrontatie bij wijze van spreken een politiek militante dimensie, waarna ook daadwerkelijk contacten met de Amerikaanse beweging kwamen.

Vanuit de Nederlandse samenleving kwam een depolitiserende reactie. De jongeren zouden vooral in actie zijn gekomen uit boosheid over de behandeling van hun ouders, dus niet politiek, en/of zij zouden de dromen van hun ouders najagen. Tegen deze interpretaties namen de jongeren duidelijk stelling: het was hun eigen idee en Nederland moest niet denken dat zij door hun ouders waren opgehitst.

Overbrugging en samenwerking

Intern zorgde de actie Wassenaar voor een overbrugging tussen deels rivaliserende RMS bewegingen. De RMS regering in ballingschap van ir. J. Manusama die in 1966, na de executie mr.dr. Ch. Soumokil, was opgericht had in 1969 concurrentie gekregen van een tegenregering onder leiding van generaal I. Tamaela. Beide presidenten hadden de beschikking over eigen ‘veiligheidskorpsen’. Tameala’s korps werden commando’s genoemd, en bij Manusama was dat het Korps Pedjagaan Keamanan (Korps voor bewaking van veiligheid). Daarnaast was er een stroming RMS jongeren die zichzelf als onafhankelijk beschouwden en niet perse voor een van beide presidenten waren. Toen in de zomer van 1970 bekend werd dat de Indonesische president Suharto op 1 september naar Nederland zou komen voor een staatsbezoek, besloten jongeren hem een warm welkom te geven.

De jongeren lieten zien dat zij in staat waren om voor het politieke doel tegenstellingen terzijde te schuiven

Leden van Manusama’s KPK kregen hoogte van dat initiatief namen het vervolgens over. De actie groeide uit tot een plan om drie objecten te bezetten, het Indonesisch consulaat in Amsterdam, de Indonesische ambassade in Den Haag en de Indonesische residentie in Wassenaar. Op het laatste moment ging alleen de laatste actie door. Tijdens de voorbereidingen groeide de groep die bij de actie(s) betrokken werd. De jongeren kwamen uit alle RMS stromingen, waardoor de actie Wassenaar een teken werd van gezamenlijkheid. De jongeren lieten zien dat zij in staat waren om voor het politieke doel tegenstellingen terzijde te schuiven.

Voor de Nederlandse autoriteiten was het een wake-up call. De confrontaties tussen Molukse en Nederlandse leeftijdsgenoten hadden hen er al van doordrongen dat er iets moest gebeuren met de relatie tussen Molukkers en de Nederlandse samenleving. Men sprak wel van ‘normalisatie’ van de relatie. Een van de middelen die men daarvoor zag waren stichtingen voor de samenlevingsopbouw, later kortweg ‘de stichting’ genoemd, waar elke Molukse wijk subsidie voor kon krijgen. Eind jaren zestig waren goede ervaringen opgedaan met bijvoorbeeld de stichting Sou ’66 in Middelburg.

Normalisatie met Indonesië

De actie Wassenaar verraste de Nederlandse autoriteiten en met een schok realiseerden zij zich dat de positie van Molukkers in Nederland ook verbonden was met de Molukken. In de jaren negentig interviewde ik voor mijn boek ‘RMS van ideaal tot symbool’ iemand die indertijd bij de Binnenlandse Veiligheid Dienst (BVD) werkte. Voor hen was het een wake-up call vertelde hij. Naast de relatie met de Nederlandse samenleving moest ook worden gewerkt aan een ‘normalisatie’ van de relatie met Indonesië. De BVD intensiveerde haar aandacht voor Molukkers.

Voor een ‘normalisatie’ van de relatie met Indonesië had Nederland Indonesië nodig. In eerste instantie stond de Indonesische regering op het standpunt dat ‘het Molukse vraagstuk’ een Nederlands probleem was. Na moeizame onderhandelingen was Indonesië bereid Nederland uit de penarie te redden. Er kwam een overeenkomst waarin onder andere begeleide reizen van Nederlandse Molukkers naar Indonesië werden geregeld (de oriëntatiereizen) en repatriëringsmogelijkheden voor oudere Molukkers met een Indonesische nationaliteit. De organisatie lag in handen van joint comités, een in Nederland en een in Indonesië.

demonstratie naar aanleiding van actie Wassenaar

Eind zomer 1975 was de overeenkomst klaar en kon worden begonnen met de uitvoering. De Molukse jongeren waren intussen van mening dat de gesprekken na de actie wassenaar niets hadden opgeleverd. Nieuwe acties waren volgens hen noodzakelijk. Die kwamen er, te beginnen met de treinkaping bij Wijster en de gijzelingsactie in het Indonesische consulaat in Amsterdam in december 1975.

De bekendmaking en implementatie van het Akkoord van Wassenaar werden vanwege de nieuwe acties even uitgesteld. De uiteindelijke gevolgen van de oriëntatiereizen en andere maatregelen van het Akkoord droegen op langere termijn bij aan een veranderende positie van Molukkers in Nederland. De impact van de actie Wassenaar was dus vele malen groter dan men in 1970 kon bevroeden en dan tegenwoordig wordt onderkend.

Verder lezen:

Tete Siahaya ‘Mena Muria, Wassenaar ’70: Zuid-Molukkers slaan terug’, 1972

Henk Smeets & Fridus Steijlen, ‘In Nederland gebleven; de geschiedenis van Molukkers 1951-2006’, 2006; (hoofdstuk 8 en 9)

Fridus Steijlen, ‘RMS van Ideaal tot symbool, Moluks nationalisme in Nederland 1951-1994’, 1996; (hoofdstuk 6)

Actie Wassenaar 1970 – Een wake up call

Een variant van de poster met een groepsfoto van de actievoerders van de actie Wassenaar 1970 heeft een nieuw leven gekregen. De oorspronkelijke poster had een roodachtig achtergrond met boven groepsfoto in vlammende letters geschreven ‘Wassenaar’ en eronder ’35 pahlawan RMS’ (35 RMS helden). Op de nieuwe versie prijken dezelfde letters, maar nu in goud, tegen een achtergrond met de RMS vierkleur en staat onder de foto: Mena-Muria 31 augustus 1970 – 31 augustus 2020. Het is een oproep voor de vijftigjarige herdenking van de actie.

De actie Wassenaar, de bezetting van de residentie van de Indonesische ambassadeur op 31 augustus 1970, was de eerste van een serie radicale acties in de jaren zeventig. Na een dag gaven de jongeren zich over, nadat door de Nederlandse regering beloofd was dat er gesprekken kwamen tussen de Nederlandse regering en de Molukse leiders. Begrijpelijkerwijze wordt die eerste actie overschaduwd door de treinkapingen en gijzelingsacties van 1975 en vooral die in de Punt en Bovensmilde van 1977 toen de acties met veel geweld werden beëindigd waarbij doden vielen. Dat de actie Wassenaar vaak in de schaduw staat is niet helemaal terecht. In meerdere opzichten was de actie een belangrijk moment. Binnen de Molukse gemeenschap en de politieke strijd en voor de relatie met de Nederlandse samenleving. Maar ook voor de Nederlandse overheid, voor hen was het zelfs een soort wake-up-call.

Dat de actie Wassenaar vaak in de schaduw staat is niet helemaal terecht. In meerdere opzichten was de actie een belangrijk moment.

Tegen het einde van de jaren zestig kwamen Molukse jongeren steeds vaker in aanvaring met Nederlandse jongeren. Er werd wel gesproken over een opkomende ‘Black Power-mentaliteit’ onder Molukse jongeren om erop te wijzen dat Molukse jongeren zich steeds zelfverzekerder en trots op hun eigen identiteit de confrontatie met hun Nederlandse leeftijdsgenoten en de Nederlandse overheid aangingen. Dat ging in eerste instantie niet om politieke zaken. Met de actie Wassenaar kreeg die confrontatie bij wijze van spreken een politiek militante dimensie, waarna ook daadwerkelijk contacten met de Amerikaanse beweging kwamen.

Vanuit de Nederlandse samenleving kwam een depolitiserende reactie. De jongeren zouden vooral in actie zijn gekomen uit boosheid over de behandeling van hun ouders, dus niet politiek, en/of zij zouden de dromen van hun ouders najagen. Tegen deze interpretaties namen de jongeren duidelijk stelling: het was hun eigen idee en Nederland moest niet denken dat zij door hun ouders waren opgehitst.

Overbrugging en samenwerking

Intern zorgde de actie Wassenaar voor een overbrugging tussen deels rivaliserende RMS bewegingen. De RMS regering in ballingschap van ir. J. Manusama die in 1966, na de executie mr.dr. Ch. Soumokil, was opgericht had in 1969 concurrentie gekregen van een tegenregering onder leiding van generaal I. Tamaela. Beide presidenten hadden de beschikking over eigen ‘veiligheidskorpsen’. Tameala’s korps werden commando’s genoemd, en bij Manusama was dat het Korps Pedjagaan Keamanan (Korps voor bewaking van veiligheid). Daarnaast was er een stroming RMS jongeren die zichzelf als onafhankelijk beschouwden en niet perse voor een van beide presidenten waren. Toen in de zomer van 1970 bekend werd dat de Indonesische president Suharto op 1 september naar Nederland zou komen voor een staatsbezoek, besloten jongeren hem een warm welkom te geven.

De jongeren lieten zien dat zij in staat waren om voor het politieke doel tegenstellingen terzijde te schuiven

Leden van Manusama’s KPK kregen hoogte van dat initiatief namen het vervolgens over. De actie groeide uit tot een plan om drie objecten te bezetten, het Indonesisch consulaat in Amsterdam, de Indonesische ambassade in Den Haag en de Indonesische residentie in Wassenaar. Op het laatste moment ging alleen de laatste actie door. Tijdens de voorbereidingen groeide de groep die bij de actie(s) betrokken werd. De jongeren kwamen uit alle RMS stromingen, waardoor de actie Wassenaar een teken werd van gezamenlijkheid. De jongeren lieten zien dat zij in staat waren om voor het politieke doel tegenstellingen terzijde te schuiven.

Voor de Nederlandse autoriteiten was het een wake-up call. De confrontaties tussen Molukse en Nederlandse leeftijdsgenoten hadden hen er al van doordrongen dat er iets moest gebeuren met de relatie tussen Molukkers en de Nederlandse samenleving. Men sprak wel van ‘normalisatie’ van de relatie. Een van de middelen die men daarvoor zag waren stichtingen voor de samenlevingsopbouw, later kortweg ‘de stichting’ genoemd, waar elke Molukse wijk subsidie voor kon krijgen. Eind jaren zestig waren goede ervaringen opgedaan met bijvoorbeeld de stichting Sou ’66 in Middelburg.

Normalisatie met Indonesië

De actie Wassenaar verraste de Nederlandse autoriteiten en met een schok realiseerden zij zich dat de positie van Molukkers in Nederland ook verbonden was met de Molukken. In de jaren negentig interviewde ik voor mijn boek ‘RMS van ideaal tot symbool’ iemand die indertijd bij de Binnenlandse Veiligheid Dienst (BVD) werkte. Voor hen was het een wake-up call vertelde hij. Naast de relatie met de Nederlandse samenleving moest ook worden gewerkt aan een ‘normalisatie’ van de relatie met Indonesië. De BVD intensiveerde haar aandacht voor Molukkers.

Voor een ‘normalisatie’ van de relatie met Indonesië had Nederland Indonesië nodig. In eerste instantie stond de Indonesische regering op het standpunt dat ‘het Molukse vraagstuk’ een Nederlands probleem was. Na moeizame onderhandelingen was Indonesië bereid Nederland uit de penarie te redden. Er kwam een overeenkomst waarin onder andere begeleide reizen van Nederlandse Molukkers naar Indonesië werden geregeld (de oriëntatiereizen) en repatriëringsmogelijkheden voor oudere Molukkers met een Indonesische nationaliteit. De organisatie lag in handen van joint comités, een in Nederland en een in Indonesië.

demonstratie naar aanleiding van actie Wassenaar

Eind zomer 1975 was de overeenkomst klaar en kon worden begonnen met de uitvoering. De Molukse jongeren waren intussen van mening dat de gesprekken na de actie wassenaar niets hadden opgeleverd. Nieuwe acties waren volgens hen noodzakelijk. Die kwamen er, te beginnen met de treinkaping bij Wijster en de gijzelingsactie in het Indonesische consulaat in Amsterdam in december 1975.

De bekendmaking en implementatie van het Akkoord van Wassenaar werden vanwege de nieuwe acties even uitgesteld. De uiteindelijke gevolgen van de oriëntatiereizen en andere maatregelen van het Akkoord droegen op langere termijn bij aan een veranderende positie van Molukkers in Nederland. De impact van de actie Wassenaar was dus vele malen groter dan men in 1970 kon bevroeden en dan tegenwoordig wordt onderkend.

Verder lezen:

Tete Siahaya ‘Mena Muria, Wassenaar ’70: Zuid-Molukkers slaan terug’, 1972

Henk Smeets & Fridus Steijlen, ‘In Nederland gebleven; de geschiedenis van Molukkers 1951-2006’, 2006; (hoofdstuk 8 en 9)

Fridus Steijlen, ‘RMS van Ideaal tot symbool, Moluks nationalisme in Nederland 1951-1994’, 1996; (hoofdstuk 6)

Actie Wassenaar 1970 – Een wake up call

Een variant van de poster met een groepsfoto van de actievoerders van de actie Wassenaar 1970 heeft een nieuw leven gekregen. De oorspronkelijke poster had een roodachtig achtergrond met boven groepsfoto in vlammende letters geschreven ‘Wassenaar’ en eronder ’35 pahlawan RMS’ (35 RMS helden). Op de nieuwe versie prijken dezelfde letters, maar nu in goud, tegen een achtergrond met de RMS vierkleur en staat onder de foto: Mena-Muria 31 augustus 1970 – 31 augustus 2020. Het is een oproep voor de vijftigjarige herdenking van de actie.

De actie Wassenaar, de bezetting van de residentie van de Indonesische ambassadeur op 31 augustus 1970, was de eerste van een serie radicale acties in de jaren zeventig. Na een dag gaven de jongeren zich over, nadat door de Nederlandse regering beloofd was dat er gesprekken kwamen tussen de Nederlandse regering en de Molukse leiders. Begrijpelijkerwijze wordt die eerste actie overschaduwd door de treinkapingen en gijzelingsacties van 1975 en vooral die in de Punt en Bovensmilde van 1977 toen de acties met veel geweld werden beëindigd waarbij doden vielen. Dat de actie Wassenaar vaak in de schaduw staat is niet helemaal terecht. In meerdere opzichten was de actie een belangrijk moment. Binnen de Molukse gemeenschap en de politieke strijd en voor de relatie met de Nederlandse samenleving. Maar ook voor de Nederlandse overheid, voor hen was het zelfs een soort wake-up-call.

Dat de actie Wassenaar vaak in de schaduw staat is niet helemaal terecht. In meerdere opzichten was de actie een belangrijk moment.

Tegen het einde van de jaren zestig kwamen Molukse jongeren steeds vaker in aanvaring met Nederlandse jongeren. Er werd wel gesproken over een opkomende ‘Black Power-mentaliteit’ onder Molukse jongeren om erop te wijzen dat Molukse jongeren zich steeds zelfverzekerder en trots op hun eigen identiteit de confrontatie met hun Nederlandse leeftijdsgenoten en de Nederlandse overheid aangingen. Dat ging in eerste instantie niet om politieke zaken. Met de actie Wassenaar kreeg die confrontatie bij wijze van spreken een politiek militante dimensie, waarna ook daadwerkelijk contacten met de Amerikaanse beweging kwamen.

Vanuit de Nederlandse samenleving kwam een depolitiserende reactie. De jongeren zouden vooral in actie zijn gekomen uit boosheid over de behandeling van hun ouders, dus niet politiek, en/of zij zouden de dromen van hun ouders najagen. Tegen deze interpretaties namen de jongeren duidelijk stelling: het was hun eigen idee en Nederland moest niet denken dat zij door hun ouders waren opgehitst.

Overbrugging en samenwerking

Intern zorgde de actie Wassenaar voor een overbrugging tussen deels rivaliserende RMS bewegingen. De RMS regering in ballingschap van ir. J. Manusama die in 1966, na de executie mr.dr. Ch. Soumokil, was opgericht had in 1969 concurrentie gekregen van een tegenregering onder leiding van generaal I. Tamaela. Beide presidenten hadden de beschikking over eigen ‘veiligheidskorpsen’. Tameala’s korps werden commando’s genoemd, en bij Manusama was dat het Korps Pedjagaan Keamanan (Korps voor bewaking van veiligheid). Daarnaast was er een stroming RMS jongeren die zichzelf als onafhankelijk beschouwden en niet perse voor een van beide presidenten waren. Toen in de zomer van 1970 bekend werd dat de Indonesische president Suharto op 1 september naar Nederland zou komen voor een staatsbezoek, besloten jongeren hem een warm welkom te geven.

De jongeren lieten zien dat zij in staat waren om voor het politieke doel tegenstellingen terzijde te schuiven

Leden van Manusama’s KPK kregen hoogte van dat initiatief namen het vervolgens over. De actie groeide uit tot een plan om drie objecten te bezetten, het Indonesisch consulaat in Amsterdam, de Indonesische ambassade in Den Haag en de Indonesische residentie in Wassenaar. Op het laatste moment ging alleen de laatste actie door. Tijdens de voorbereidingen groeide de groep die bij de actie(s) betrokken werd. De jongeren kwamen uit alle RMS stromingen, waardoor de actie Wassenaar een teken werd van gezamenlijkheid. De jongeren lieten zien dat zij in staat waren om voor het politieke doel tegenstellingen terzijde te schuiven.

Voor de Nederlandse autoriteiten was het een wake-up call. De confrontaties tussen Molukse en Nederlandse leeftijdsgenoten hadden hen er al van doordrongen dat er iets moest gebeuren met de relatie tussen Molukkers en de Nederlandse samenleving. Men sprak wel van ‘normalisatie’ van de relatie. Een van de middelen die men daarvoor zag waren stichtingen voor de samenlevingsopbouw, later kortweg ‘de stichting’ genoemd, waar elke Molukse wijk subsidie voor kon krijgen. Eind jaren zestig waren goede ervaringen opgedaan met bijvoorbeeld de stichting Sou ’66 in Middelburg.

Normalisatie met Indonesië

De actie Wassenaar verraste de Nederlandse autoriteiten en met een schok realiseerden zij zich dat de positie van Molukkers in Nederland ook verbonden was met de Molukken. In de jaren negentig interviewde ik voor mijn boek ‘RMS van ideaal tot symbool’ iemand die indertijd bij de Binnenlandse Veiligheid Dienst (BVD) werkte. Voor hen was het een wake-up call vertelde hij. Naast de relatie met de Nederlandse samenleving moest ook worden gewerkt aan een ‘normalisatie’ van de relatie met Indonesië. De BVD intensiveerde haar aandacht voor Molukkers.

Voor een ‘normalisatie’ van de relatie met Indonesië had Nederland Indonesië nodig. In eerste instantie stond de Indonesische regering op het standpunt dat ‘het Molukse vraagstuk’ een Nederlands probleem was. Na moeizame onderhandelingen was Indonesië bereid Nederland uit de penarie te redden. Er kwam een overeenkomst waarin onder andere begeleide reizen van Nederlandse Molukkers naar Indonesië werden geregeld (de oriëntatiereizen) en repatriëringsmogelijkheden voor oudere Molukkers met een Indonesische nationaliteit. De organisatie lag in handen van joint comités, een in Nederland en een in Indonesië.

demonstratie naar aanleiding van actie Wassenaar

Eind zomer 1975 was de overeenkomst klaar en kon worden begonnen met de uitvoering. De Molukse jongeren waren intussen van mening dat de gesprekken na de actie wassenaar niets hadden opgeleverd. Nieuwe acties waren volgens hen noodzakelijk. Die kwamen er, te beginnen met de treinkaping bij Wijster en de gijzelingsactie in het Indonesische consulaat in Amsterdam in december 1975.

De bekendmaking en implementatie van het Akkoord van Wassenaar werden vanwege de nieuwe acties even uitgesteld. De uiteindelijke gevolgen van de oriëntatiereizen en andere maatregelen van het Akkoord droegen op langere termijn bij aan een veranderende positie van Molukkers in Nederland. De impact van de actie Wassenaar was dus vele malen groter dan men in 1970 kon bevroeden en dan tegenwoordig wordt onderkend.

Verder lezen:

Tete Siahaya ‘Mena Muria, Wassenaar ’70: Zuid-Molukkers slaan terug’, 1972

Henk Smeets & Fridus Steijlen, ‘In Nederland gebleven; de geschiedenis van Molukkers 1951-2006’, 2006; (hoofdstuk 8 en 9)

Fridus Steijlen, ‘RMS van Ideaal tot symbool, Moluks nationalisme in Nederland 1951-1994’, 1996; (hoofdstuk 6)